Vertier
Zij zag, dat vertrokken, ouder gezicht
groots en vertedert, en (als kind) door liefde verlicht
Met een flits, die ziedend, haar angsten verblindde
bekwam haar die blik, die wond'ren beminde
Toen ineens, een vrouw, op de vlucht, haar leven passeerde
langs grenzen van pijn, die wonden verteerde
Om maar niet te denken, aan de grenzen van zijn
waar verkiezen, te zwaar zou zijn
Doch jong, in dagen, lonkte zij eens te meer
maar sloeg daden van liefde weer keihard neer
In een herhaling van zetten en omstaande macht
verzoening volstaat, verzet zich, dat mag
Door verbazing, verdoemt, ontging haar de zege
in het occulte verging zij, harentwege
Zo ging zij om, vertier, en ontkwam haar, de deugd
nu liegt zij voortdurend, vanwege haar jeugd.
© 2010 Wieger de Munck
